Bijkomende schade vaak rookgordijn voor oorlogsmisdaden

1028004120

In vier dagen tijd kwam het Amerikaanse leger met vier verschillende verklaringen voor het bombarderen van het ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen in Kunduz. Het gedraai onderstreept het belang van internationaal onafhankelijk onderzoek naar de ware toedracht. In het ziekenhuis kwamen 12 mensen van de medische staf en 10 patiënten om het leven door gerichte en opeenvolgende aanvallen.

De luchtaanval op het ziekenhuis is één van de meer zichtbare excessen waarbij onschuldige burgerslachtoffers vallen door de inzet van explosieve wapens. Militairen maskeren deze onschuldige burgerslachtoffers vaak met een vreselijke term: bijkomende schade. Maar bij het gebruik van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden in Syrië, Irak, Afghanistan en Jemen is de term bijkomende schade een rookgordijn waarachter oorlogsmisdaden schuil gaan.

De afgelopen maand augustus kwamen er door de inzet van explosieve wapens bijna 4.000 mensen om het leven. Maar liefst 82% was burger. Door luchtaanvallen kwamen er 793 burgers om het leven, door artillerie 1.027 en door bomaanslagen nog eens 1.416. En de meeste doden vielen in Syrië.

Eén van die luchtaanvallen vond plaats in Douma, een voorstad van Damascus. Op zondag 16 augustus, op de eerste werkdag van de week was het druk op de markt toen vliegtuigen van de Syrische luchtmacht toesloegen. Eerst werd één raket afgevuurd. En toen er mensen waren toegesneld om gewonden te helpen volgde een tweede raket. Er vielen minstens 82 doden en 200 gewonden.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen de aanval op het ziekenhuis in Kunduz en de aanval op de markt van Douma. De Amerikanen zullen, zo mag je toch hopen, geen intenties hebben gehad om patiënten en medisch personeel in het ziekenhuis aan te vallen. De luchtmacht van Assad, zo moet je toch vrezen, had weldegelijk de intentie om burgers op de markt te doden. Maar toch vormen beide excessen een oorlogsmisdaad.

Ook de Russische luchtmacht voert sinds kort aanvallen uit op dichtbevolkte gebieden in Syrië. De NAVO uitte kritiek op Moskou omdat er bij deze aanvallen burgerslachtoffers vallen. Maar deze kritiek klinkt hol en ongeloofwaardig zolang de Verenigde Staten in Afghanistan, de anti-ISIS coalitie in Syrië en Irak en onze bondgenoten in Jemen zich zelf ook schuldig maken aan burgerslachtoffers.

De Guardian wees er deze week nog eens op dat de Amerikaanse luchtmacht bij de strijd om de stad Kobani aan de Syrisch-Turkse grens ISIS met 1.800 bommen bestookte. De luchtmacht gebruikte 200 kilo zware bommen voor het uitschakelen van een motorfiets. Van de burgers die in deze vuurstorm terecht kwamen hebben we niets vernomen.

Al maanden roepen organisaties de anti-ISIS coalitie op tot het opzetten van een mechanisme dat bijdraagt aan het onafhankelijk identificeren, analyseren en verantwoorden van burgerslachtoffers. Maar de landen die deelnemen aan bombardementen houden zich doof of verschuilen zich achter tekortschietende verklaringen. De verantwoording van burgerslachtoffers is niet transparant en schiet ernstig te kort. En waar burgerslachtoffers niet langer zijn te ontkennen verschuilen militairen en verantwoordelijke politici zich achter verhullende persverklaringen en vrijblijvende excuses.

Moeten we wel zo kritisch zijn op de luchtmacht van Amerika en zijn bondgenoten? ISIS heeft immers net als Assad lak aan het oorlogsrecht. Maar deze redenering bevat een ernstige denkfout. Juist omdat ISIS en Assad zich niet aan het oorlogsrecht houden moeten wij dat wel doen.

Elke fatale fout, elke verkeerd gerichte bom of granaat, elk onschuldig burgerslachtoffer, elke leugen en al het gedraai om de waarheid ondermijnt de geloofwaardigheid en de effectiviteit van het westen. Elk onschuldig burgerslachtoffer voedt de radicalisering en vergroot de aantrekkingskracht van extremistische groepen.

Dat maakt het gedraai van de Amerikaanse woordvoerders over de ware toedracht van het bombardement van het ziekenhuis in Kunduz zo pijnlijk. Dat maakt het zo onbegrijpelijk dat ook de Nederlandse krijgsmacht onvoldoende transparant verantwoording aflegt over mogelijke burgerslachtoffers. Dat maakt het zo onbestaanbaar dat er nog steeds geen mechanisme is om burgerslachtoffers als gevolg van bombardementen door de anti-ISIS coalitie in Irak en Syrië zo goed als mogelijk te identificeren, te analyseren en te verantwoorden.

Er is meer nodig dan een nieuwe wapenwedloop

imrs.php

De voorbereidingen voor de begroting 2016 zijn in volle gang. En het moge duidelijk zijn: defensie wil meer geld. Een bonte verzameling van columnisten, specialisten en analisten, van oud-ministers, oud-militairen en oud-vredesbewegers pleiten in een heus manifest voor de verkommerde krijgsmacht. De ondertekenaars – 37 mannen en één (!) vrouw – komen tot een in hun ogen onontkoombare conclusie: 1,5 miljard erbij anders lopen we gevaar. En zij krijgen mooi getimed bijval van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken: 3,5 miljard erbij “voor acute tekortkomingen van de krijgsmacht”. Iedereen lijkt het eens met elkaar te zijn. Nu alleen het geld nog.

Het besef dat er geinvesteerd moet worden in de krijgsmacht is nieuw noch revolutionair. Zo stelde ook PAX al in 2010 dat Nederland moet investeren in het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. In wapens en onderdelen die voor de bescherming van burgers essentieel zijn zoals gendarmerie die politietaken uitvoert, special forces, tactische transportcapaciteit en intelligence.

Toch overtuigt het manifest niet. En dat komt niet enkel doordat een aantal van de ondertekenaars politiek verantwoordelijk is geweest voor de bezuinigingen die zij nu vanuit hun leunstoel bekritiseren. In de kern komt het manifest hierop neer: “Het vermogen [om] met politieke middelen internationale veiligheid tot stand te brengen kan niet zonder een geloofwaardige militaire component.” In deze zin liggen echter enkele kwestieuze aannames besloten.

De eerste is dat er internationale consensus zou bestaan over een politieke strategie die essentieel is voor een effectieve inzet van de krijgsmacht. Maar die consensus ontbreekt. Er bestaan diepgaande meningsverschillen binnen de NAVO, EU en VN over de politieke benadering van zo’n beetje alle crises die in het manifest worden opgevoerd als argumenten voor verhoging van het defensiebudget.

De tweede aanname is dat er politieke bereidheid zou bestaan om de krijgsmacht daadwerkelijk in te zetten. Maar voor veel landen binnen de NAVO en de EU is militaire confrontatie nog altijd de slechts denkbare optie voor landen die economisch sterk met elkaar verweven zijn. Binnen NAVO zijn landen tot op het bot verdeeld over een militaire escalatie in reactie op Poetin. En ook de politieke bereidheid om de krijgsmacht in te zetten voor crisisbeheersing en de bescherming van burgers is tanende.

De derde aanname is dat de krijgsmacht effectief kan bijdragen aan het bezweren van conflicten die vrijwel altijd een complexe politieke oorzaak hebben. Er valt veel te zeggen over de militaire interventies in Irak, Afghanistan en Libie, maar niet dat deze een doorslaand succes waren. Door het ontbreken van politieke strategie hebben deze militaire interventies juist bijgedragen aan de huidige instabiliteit. Is meer geld voor defensie een effectief antwoord op de ideologie van ISIS, op de ‘groene mannetjes’ in Oekraine?

Het manifest gaat opzichtig enkele cruciale onderwerpen uit de weg. Geen woord over de politieke visie op veiligheid en defensie en over het profiel van de krijgsmacht. Het manifest spreekt over de vele bedreigingen die ons omringen maar zwijgt over de waarden en belangen die in het geding zijn en de basis moeten vormen voor buitenlandbeleid. Het blijft onduidelijk welke invulling het manifest geeft aan het Nederlandse belang dat moet worden verdedigd. Gaat het enkel om onze veiligheid en die van onze bondgenoten? Moeten onze economische belangen en onze welvaart verdedigd worden? Staat de collectieve en duurzame internationale veiligheid centraal? Willen wij bijdragen aan de internationale rechtsorde en de bescherming van mensenrechten?

Veelzeggend is verder dat het manifest vaag blijft over het profiel dat de krijgsmacht moet hebben. Willen de opstellers vasthouden aan een veelzijdig inzetbare krijgsmacht of is, mede gelet op de beperkte financiele ruimte, taakspecialisatie onvermijdelijk? PAX pleitte de afgelopen jaren voor de krijgsmacht als robuuste ‘beschermingsmacht’. Het manifest hint op een snelle inzetbaarheid en het expedionaire karakter van de krijgsmacht. Maar er wordt geen uitdrukkelijke keuze gemaakt voor een realistisch profiel voor de krijgsmacht.

Het manifest maakt evenmin duidelijk waar de krijgsmacht nu eigenlijk ingezet zou kunnen worden. Het manifest spreekt over een “reeks van risico’s voor de stabiliteit die alert en doelgericht moeten worden aangepakt.” Genoemd worden Rusland, Afrika, het Verre Oosten en de periferie van Europa. Maar vooral Rusland wordt opgevoerd als een acute dreiging.

Maar de opstellers willen toch niet suggereren dat Rusland een militair overwicht heeft tegenover een in alle opzichten superieure NAVO? De AIV stelt onomwonden dat “er geen directe bedreiging bestaat van (…) Europa als geheel”. Het manifest laat na om, in aansluiting op de Amerikaanse VN-ambassadeur Samantha Power, een lans te breken voor een grotere deelname van Nederland aan VN-missies. Misschien menen de opstellers net als de AIV dat “de oplossing van conflicten in de MENA (Midden-Oosten en Noort-Afrika)-regio vooral de verantwoordelijkheid is van de landen zelf.”

Het manifest wil meer geld maar het blijft onduidelijk welke politieke visie hieraan ten grondslag ligt, welk krijgsmachtprofiel de ondertekenaars voor ogen hebben, waar die krijgsmacht zou kunnen worden ingezet, waarvoor het extra geld gebruikt wordt. Het debat over de krijgsmacht wordt al lang te zeer bepaald door breed uitgemeten dreigingen en onsamenhangende besluiten over middelen en materieel. Het is jammer dat het manifest daaraan niet geheel weet te ontsnappen.

Een krijgsmacht die gespecialiseerd is als robuuste beschermingsmacht kan èn bijdragen aan de internationale rechtsorde èn aan de verdediging van eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Een krijgsmacht met dit profiel kan veel meer in VN-verband in Afrika worden ingezet voor de bescherming van burgers. Maar dan moeten er ook keuzes gemaakt worden. Materieel dat niet past bij een beschermingsmacht moet worden afgestoten. En ja, Nederland moet waar nodig ook investeren in het voortzettingsvermogen en materieel dat essentieel is voor de bescherming van burgers.

Maar vooral nodig is het vergroten van de inspanningen voor conflictpreventie en conflictoplossing. Nederland moet veel meer investeren in het versterken van diplomatie en bevorderen van politieke oplossingen. In de opbouw van responsieve overheden en de veerkracht van civiele samenlevingen. Want in een wereld vol hybride bedreigingen kan een nieuwe wapenwedloop niet ons eigenlijke en enige antwoord zijn – of we dat nu leuk vinden of niet.

[Ook gepubliceerd op oneworld.nl]

De gotspe van Guantánamo

_67333562_67333556

De VS hebben Nederland gevraagd twee gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen. Een ruime Kamermeerderheid (VVD, PvdA, CDA, SP en Christen-Unie) voelt hier echter niets voor. Hun argumentatie is simpel. “Het is een Amerikaans probleem dat zij moeten oplossen”. Zo formuleerde Han ten Broeke het namens de VVD.

Eerst enkele feiten. Begin van dit jaar verbleven er nog 122 gevangenen in Amerikaans gevangenschap op Guantánamo Bay. Daarvan zijn 56 gevangenen “cleared for release”. Zij vormen geen bedreiging. Zij zijn vrij om te gaan maar blijven in gevangenschap omdat het Congres hen niet in Amerika wil opnemen en uitwijzing naar hun geboorteland onmogelijk is.

Natuurlijk is Guantánamo Bay een Amerikaans probleem. Sterker nog, Guantánamo Bay is hèt symbool voor foltering door de Amerikaanse overheid. De meeste gevangene zitten zonder aanklacht, zonder toegang tot een advocaat en zonder uitzicht op een eerlijk proces vast op verdenking van terrorisme. En dat vaak ten onrechte.

Een goed voorbeeld is Obaidullah. Coalitietroepen in Afghanistan arresteren de jonge man in 2002 na een tip van een betaalde informant. Met geweld en onder dreiging van een mes op de keel verklaart Obdaibullah dat de landmijnen, die tijdens de bezetting door de Sovjet-Unie in de buurt van zijn huis zijn gelegd, van hem zijn. Door deze ‘bekentenis’ belandt Obaidullah in Guantánamo. Hij zit inmiddels 12 jaar gevangen, zonder beschuldiging en zonder hoop ooit te kunnen terugkeren naar zijn vrouw en inmiddels ruim 12 jarige dochter.

Er kan geen enkel misverstand over bestaan. De praktijken in de strafkolonie Guantánamo Bay zijn illegaal volgens het internationaal humanitair recht. Zij vormen volgens James D. Wright, een voormalige officier in het Amerikaanse leger die als advocaat werd toegewezen aan Obaidullah, “een erfzonde van foltering.”

President Obama wilde de gevangenis op Guantánamo Bay sluiten. Hij heeft er inmiddels spijt van dat hij dat niet op de eerste dag van zijn presidentschap heeft gedaan. Natuurlijk zou Washington zijn eigen erfzonde onder ogen moeten zien en alle gevangenen moeten vrijlaten of berechten in een eerlijk proces. Maar is daarmee alles gezegd? Zijn er toch geen overwegingen die pleiten voor opname van enkele van de gevangenen die vrij zijn om te gaan en tegen wie geen enkele verdenking meer bestaat?

Het is moreel onacceptabel dat mensen onschuldig in de gevangenis verblijven, zelfs nadat hun onschuld is vastgesteld. Het opnemen van twee van deze mensen vormt geen legitimatie van Amerikaans beleid, zoals sommige Kamerleden vrezen. Met het opnemen van onschuldige slachtoffers van ‘de oorlog tegen het terrorisme’ draagt Nederland juist bij aan de noodzakelijke sluiting van Guantánamo. En niets weerhoudt Nederland ervan om tegelijkertijd en met nog meer klem president Obama op te roepen om Juan Méndez toe te laten tot Guantánamo en in staat te stellen gevangenen daar te spreken. Deze VN-rapporteur voor foltering wacht al twee jaar op toestemming.

Maar een meerderheid van de Kamer lijkt hier niets voor te voelen. Zelfs de VVD lijkt niet bereid de Amerikaanse bondgenoten een handje te helpen. Best bijzonder voor een partij die trans-Atlantische solidariteit hoog in het vaandel heeft. Misschien schrikt een meerderheid in de Tweede Kamer terug voor de angstige sentimenten die vrijlating en vestiging van twee gevangenen in Nederland kan veroorzaken. Dat zijn precies dezelfde sentimenten die een Republikeinse meerderheid in het Congres er van weerhouden om Guantánamo te sluiten. Het lijkt er op dat huiver voor politieke retoriek en electorale gevolgen daarvan ook de Tweede Kamer in de greep houden. Misschien verklaart dat waarom de VVD, bij monde van Hans van Baalen, in 2007 nog van mening was dat NAVO-partners bereid moeten zijn om gevangenen op te nemen die niet meer als terroristen zijn gekwalificeerd. Dat werd toen gezien als realistisch buitenlandbeleid. Nu ligt dat kennelijk anders.

De sluiting van Guantánamo is urgent noodzakelijk. Daarover bestaat binnen de Tweede Kamer een brede consensus. De opname van twee gevangenen biedt geen garantie op sluiting maar brengt deze sluiting wel dichterbij. Nederland kan, samen met de andere landen die inmiddels gevangenen hebben opgenomen, bijdragen aan de politieke druk die Obama nodig heeft om een definitieve sluiting te forceren voor het einde van zijn presidentschap. En één ding is duidelijk. Het vinden van “een adequate humanitaire oplossing” voor de gevangenen in Guantánamo is niet alleen moreel noodzakelijk maar uiteindelijk ook in het belang van onze veiligheid.

Besluitvorming Uruzgan: een onontkoombare valstrik

AFGHANISTAN-URUZGAN-MISSIE

Mirjam Grandia schetst een ontluisterend beeld van de besluitvorming die haar en ruim 20.000 andere Nederlandse militairen naar Uruzgan bracht. De toonzetting van haar proefschrift is nuchter, de analyse pijnlijk trefzeker. De inzet van Nederlandse militairen in Uruzgan stond al op voorhand vast. En alles is daaraan ondergeschikt gemaakt, inclusief de politieke sturing en besluitvorming. De titel van haar fascinerende proefschrift is veelzeggend: Deadly Embrace? Besluitvormers in een onontkoombare valstrik.

Grandia volgt nauwgezet het Nederlandse besluitvormingspad op weg naar Uruzgan. Wat valt daarbij zoal op? De militaire top liep zonder politiek mandaat ver vooruit op de notificatie aan het parlement en het besluit van het kabinet. Militairen hadden van meet af aan het initiatief. Zij bepaalden daardoor het proces en de uitkomst. Het ging vooral over hoe de Nederlandse krijgsmacht naar Uruzgan zou gaan en minder over waarom. Grandia vraagt zich af of het straffe marstempo van Defensie – dat zelfs de militaire top in de NAVO overviel – past bij een “proactieve benadering” of daaraan voorbij gaat. De doelstellingen van de missie, de keuze van de provincie Uruzgan en de troepensterkte zijn  “op militair niveau” vastgesteld. Dat stelt “impliciet het politieke primaat” ter discussie, aldus Grandia.

Dat valt echter niet alleen de krijgsmacht aan te rekenen. Want uit het proefschrift komt ook een gebrek aan politieke en strategische sturing naar voren. Het doel van de missie is daardoor diffuus gebleven. Anders dan in het Verenigd Koninkrijk (Blair) speelde in Nederland de premier (Balkenende) geen rol van betekenis. Grandia stelt fijntjes dat dit niet geheel te verklaren valt uit de positie die de premier als primus inter pares in het Nederlandse politieke systeem inneemt. “Hij [Balkenende] was meer betrokken bij binnenlandse aangelegenheden” omdat men ervan uit ging dat deze “meer impact hadden op de successen van hem en zijn partij.” Ook over de rol van Buitenlandse Zaken is Grandia niet echt vleiend: “De vraagt blijft of Buitenlandse Zaken de krijgsmacht bewust een mandaat heeft verschaft om te manoeuvreren of dat het heeft nagelaten om in een vroegtijdig stadium voor zichzelf een actieve rol te verwerven.” De vraag stellen is hem beantwoorden.

Markant is dat Grandia de verantwoordelijkheid voor het te lage aantal militairen in Uruzgan bij de krijgsmacht zelf legt. De commandant der strijdkrachten (Berlijn) anticipeerde op een politieke afkeer van grootschalige en kostbare missies. Maar toen hij eenmaal een aantal van 1.000 militairen genoemd had kon hij noch de minister van Defensie (Kamp) daarop terugkomen. Grandia noemt het een “misrekening”. Zij neemt daarmee afstand van de gangbare kritiek onder militairen dat het parlement hen opzadelde met een troepensterkte die niet afgestemd was op het operationele inzetgebied maar op de Haagse werkelijkheid. De Haagse bemoeienis speelde op weg naar Uruzgan een weinig behulpzame rol. Maar de onderbezetting in Uruzgan was volgens Grandia een door militairen “zelf-toegebrachte wond.” Dat is pijnlijk. Want de te geringe troepensterkte maakte het op voorhand onmogelijk in Uruzgan effectief een counter insurgency uit te voeren. Afghaanse burgers konden daardoor maar beperkt en tijdelijk op bescherming rekenen.

Grandia richt haar blik op het interne besluitvormingsproces van militairen, diplomaten en bewindslieden. Zij speelden ook de hoofdrol. Tragisch is dat de belangen van de Afghaanse bevolking in het gehele planning- en besluitvormingsproces geen enkele rol van betekenis speelden. Pas op het moment dat de eerste troepen in Afghanistan arriveerden was er een civiel assessment beschikbaar. In de besluitvorming mocht de Afghaanse bevolking wel een rol spelen. Maar dan vooral als legitimatie van nationale belangen.

In Nederland moeten het Toetsingskader en de artikel 100-procedure zorgdragen voor een evenwichtige besluitvorming binnen het kabinet en een tijdige en volledige informatieverstrekking aan het parlement. Het is voor een militaire missie van cruciaal belang dat doel, aanpak en middelen zorgvuldig en realistisch op elkaar zijn afgestemd. In de kern gaat het om de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden politieke doelstellingen met militair geweld gerealiseerd mogen en kunnen worden. Het Toetsingskader moet daarbij bijdragen aan het voorkomen van militaire fiasco’s. Maar in de praktijk werkt het Toetsingskader als doelredenering naar vaststaande conclusies. Grandia: “Ondanks het bestaan van een dergelijk kader en de eis van parlementaire goedkeuring blijft de gang van zaken hetzelfde.” Dat wil zeggen: “de troepen werden ingezet zoals naar voren was gebracht in de internationale militaire werkgroepen.” Grandia noemt dit een “interessante bevinding” die de aannames over de werking van het Toetsingskader “falsificeert”.

Welke conclusies zouden er aan het proefschrift van Grandia, die daarvoor alle vrijheid kreeg van Defensie, verbonden kunnen worden. In de eerste plaats moet de Minister van Buitenlandse Zaken in een veel vroeger stadium politieke en strategische sturing (kunnen) geven aan het plannings- en besluitvormingsproces dat aan missies vooraf gaat. Het politiek primaat bij de inzet van de krijgsmacht moet versterkt worden.

In de tweede plaats zou het kabinet de werking van het Toetsingskader kritisch en onafhankelijk moeten evalueren. Grandia vergelijkt het besluitvormingsproces met de werking van een valstrik. Dat is nou precies wat het Toetsingskader en de assessments die daaraan vooraf gaan moeten voorkomen.

In de derde plaats zou de reikwijdte van de evaluaties (uit te voeren met betrokkenheid van onafhankelijke experts) van militaire missies verbreed moeten worden. Het gehele plannings- en besluitvormingsproces voorafgaande aan het parlementaire debat is dermate bepalend dat het voortaan ook onderdeel van evaluatie moet zijn.

Mirjam Grandia heeft een zeer relevant proefschrift geschreven. Verplichte leerstof voor parlementariërs en ministers, voor militairen en diplomaten. Er wordt vaak gezegd dat de uitzending van militairen naar oorlogsgebieden de meest zwaarwegende beslissing is in de politiek. Als dat zo is moeten zij alles weten over de wijze waarop de besluitvorming tot militaire missies tot stand komt en zich inspannen voor verbetering van dat besluitvormingsproces.

“Medeplichtig aan moord”???

Noor Khan met een foto van zijn vader

Noor Khan (l) met een foto van zijn vader

Stel. Stel je werkt bij de veiligheidsdienst. Op een dag vang je een verdacht telefoontje op. Iemand belt met iemand in Pakistan. Zou hier sprake zijn van een link met terrorisme? Het zou best kunnen. Je deelt de informatie met je Amerikaanse collega bij de CIA. Want zo is dat nu eenmaal afgesproken.

De  Amerikaanse collega vertrouwt het niet en geeft de informatie door aan zijn superieuren. Zij lokaliseren de telefoon in Pakistan. Een drone-operator krijgt de coördinaten. En de verdachte telefooneigenaar wordt door een drone geëlimineerd.

Tot zover niets nieuws onder de zon. Zo zou het kunnen gebeuren. Maar het verhaal gaat verder. De gedode telefooneigenaar heeft een zoon. En die zoon klaagt jou aan omdat je medeplichtig bent aan moord. Je hebt immers door het delen van inlichtingen met de CIA meegewerkt aan het doden van zijn vader.

Dit is geen verzonnen verhaal. De zoon bestaat en heet Noor Khan. Hij is een naar het Verenigd Koninkrijk geëmigreerde Pakistaan die inmiddels een Britse nationaliteit heeft. Een drone-aanval doodde zijn vader Malik Daud Khan, een Pakistaanse tribale leider, samen met meer dan een dozijn anderen tijdens een vergadering van tribale leiders in Pakistan.

Een hoger beroep is onder de Britse rechter die binnenkort bepaalt of de aanklacht in behandeling wordt genomen. Eerder weigerde the High Court de aanklacht te behandelen “omdat het de (Britse) regering niet kan dwingen haar beleid te onthullen.

Zou Nederland ook intelligence met de Verenigde Staten delen? De New York Times stelt dat onderschepte communicatie in Afghanistan en de regio breed met de Verenigde Staten wordt gedeeld. De krant verwijst daarbij expliciet naar Duitsland en Nederland. Deze landen voeren volgens de New York Times “agressieve elektronische afluisteroperaties” uit omdat zij, in vergelijking met de Verenigde Staten, makkelijker met lokale vertalers kunnen samenwerken.

Als dat waar is, zouden dan ook Nederlanders in dienst van de Nederlandse veiligheidsdiensten het risico lopen dat zij beschuldigd worden van medeplichtigheid aan moord? Zouden veiligheidsdiensten door dit risico minder informatie met elkaar gaan delen? En wat zouden daarvan de gevolgen zijn voor de veiligheid?

Minister Timmermans heeft recent juridisch advies gevraagd over de inzet van drones. De aanklacht tegen de Britse veiligheidsdienstmedewerkers maakt duidelijk dat er in theorie nu al sprake zou kunnen zijn van Nederlandse betrokkenheid. Dat onderstreept de urgentie en de complexiteit van het advies.

De les van Uruzgan

Deze week legt de regering in de Tweede Kamer verantwoording af over de Nederlandse bijdrage aan de ISAF-missie in Afghanistan. Tijdens deze grootste Nederlandse missie sinds Korea zond de regering 20.000 Nederlandse militairen en 130 civiele medewerkers naar Afghanistan uit,  spendeerde zij 2 miljard euro aan ‘Uruzgan’, en kwamen 25 Nederlandse militairen om het leven.

Lees verder

Kunduz één jaar later: wake up call voor Tweede Kamer

Premier Rutte bezoekt Kunduz (foto ANP/Evert-Jan Daniëls)

De Tweede Kamer moet de eigen besluitvorming rond de politietrainingsmissie in Kunduz evalueren. Dat is geen eis van IKV Pax Christi maar een besluit van de Tweede Kamer zelf. Het lijkt er op dat de Tweede Kamer dit goede voornemen is vergeten. Tijd voor een wake up call! Lees verder