‘Daarom haten ze ons zo’

WP_20141122_002

 

 

 

 

 

 

We leven in onzekere en angstige tijden. De politiek zoekt onzeker naar effectieve antwoorden op radicalisering ver weg en dichtbij. En de samenleving is angstig over de gevolgen van radicalisering dichtbij en ver weg. Maar gelukkig biedt Martin Sommer, politiek commentator van de Volkskracht, uitkomst met een messcherpe analyse.

Hij betoogt in de Volkskrant dat “conservatieve moslims” ver weg en dichtbij ons haten om wat wij zijn. Omdat wij deel uitmaken van een liberale democratie. Terwijl zij, de “conservatieve moslims ver weg” maar ook “jongeren hier, zowel bekeerlingen als moslims van huis uit” hunkeren naar de “totalitaire verleiding.”

Het is volgens Sommer volkomen zinloos om ons te verdiepen in de oorzaken van radicalisering want een gesprek over “een nare jeugd” lost niets op. Al die mannen laten “hun baard staan vanwege de Islam en niet uit protest tegen werkloosheid of slechte voorzieningen”.

Het is volgens Sommer ook “een misvatting” te denken dat veel mensen “van Maghreb tot Maidan” behoefte hebben aan democratisering en een rechtstaat. Wel nee, na 11/9 weet Sommer wel beter: “Heel veel mensen staan allerminst te springen om een open samenleving.”

Het is volgens Sommer bovendien “neochristelijk” om te praten met gewelddadige groeperingen, zoals de Adviesraad Internationale Vraagstukken bepleit. Dat is immers gebaseerd op de malle gedachte dat er een verklaring moet zijn voor de motieven van “halsafsnijders en hun vrienden”.

Sommer – je bent niet zomaar politiek analist bij de Volkskrant – weet ook feilloos wat de mensen in Irak eigenlijk willen: “Vrijheid, maar vooral ook een sterke leider, zeg type Saddam Hussein”.

Ik vind deze ‘analyse’ getuigen van een naargeestig en kortzichtig pseudo-realisme. Maar dat is Sommer natuurlijk volkomen gegund. In zijn column fakkelt hij achtereenvolgens Femke Halsema, Dick Berlijn, Peter van Uhm en Joris Voorhoeve af en al die andere “zachtaardige” mensen die het kwaad willen begrijpen en het daarmee “al half goed praten.” Maar intussen blijft het onduidelijk welke oplossingsrichting Sommer eigenlijk voor ogen heeft.

Als ik het goed begrijp bepleit Sommer eigenlijk het volgende: Alle dictators in het zadel houden, want dat willen de mensen graag. Alle aanhangers van de naargeestige Islam met baarden moeten natuurlijk het land uit. Verder vooral geen oorzaken aanpakken maar symptomen bestrijden. En intussen volhouden dat je een liberale democraat bent.

O ja. Ik was nog vergeten te melden dat de column van Martin Sommer in de Volkskrant te vinden is onder de welluidende titel: Vrij zicht. Tja….

 

 

 

 

F-16’s in een militaire actie met open-einde en onduidelijke bewegende doelen

images-3Nederland zal met F-16’s bijdragen aan de ‘uitroeiing’ van ISIS. Dat zal het kabinet besluiten. Zo’n besluit kan rekenen op steun in de Tweede Kamer. Veel Kamerleden toonden zich al geschokt bij de gedachte dat Nederland niet zou deelnemen aan de bombardementsvluchten op ISIS. Het meedogenloos geweld van ISIS is afschuwwekkend. Morele verontwaardiging is op zijn plaats maar geen voldoende onderbouwing van een nieuwe militaire interventie. De wens om ISIS ‘uit te roeien’ met bombardementen en het ongefundeerde geloof dat dit kan is frappant, zo niet roekeloos.

ISIS is niet de oorzaak van de crisis in Irak en Syrië maar het resultaat daarvan. ISIS floreert op eerdere militaire mislukkingen en politieke nalatigheid. ISIS kon het machtsvacuüm in Syrië vullen mede dankzij het falen van de internationale gemeenschap. ISIS kon profiteren van het sektarische beleid van de regering in Bagdad die ondanks geweld tegenover de soennitische minderheid steeds voldoende steun kreeg van het westen. ISIS kon rekenen op financiële steun uit ondermeer Saoedi-Arabië waarmee het westen ondanks publieke onthoofdingen politiek en economisch samenwerkt.

De VS heeft sinds 11 september 2001 ruim 94.000 luchtaanvallen uitgevoerd in Afghanistan en Irak maar ook in Libië, Pakistan, Jemen en Somalië. Hebben deze luchtacties een politieke oplossing in deze landen dichterbij gebracht? Wie vandaag naar Bagdad, Kabul of Tripoli kijkt weet het antwoord. De bombardementen hebben wel duizenden burgerslachtoffers veroorzaakt en mede daardoor het geweld aangewakkerd en nieuwe rekruten opgeleverd voor extremistische groeperingen.

Wie aarzelt over de wijsheid van de door Obama aangekondigde militaire campagne die IS moet vernietigen is naïef en plaatst zich buiten de politieke realiteit, zo lijkt het. Maar dat is de omgekeerde wereld. De pleitbezorgers van ongeconditioneerde steun voor het wegbombarderen van ISIS hebben iets uit te leggen. Uit alle interventies komt een les keer op keer naar voren: militaire acties met een open-einde en onduidelijke en bewegende doelen leiden tot escalatie van geweld terwijl een overwinning een illusie blijft.

PAX vindt dat militaire interventies in Irak en Syrië alleen in uiterste omstandigheden en onder strikte voorwaarden zijn te verantwoorden om burgers te beschermen tegen een directe en acute dreiging van genocide of grootschalige schendingen tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden. Militair geweld kan noodzakelijk zijn om deze dreiging te stoppen en in te dammen. Toen Mosul onder voeten werd gelopen en Yazidi’s en andere minderheden door genocide bedreigd werden was militaire geweld tegen ISIS noodzakelijk en gerechtvaardigd. Maar het is een illusie te denken dat we met bombardementen een einde kunnen maken aan ISIS.

De bestrijding van ISIS vergt vooral een politieke strategie. De noodzakelijke ingrediënten daarvan zijn duidelijk: een regionale aanpak waaraan ook Iran meewerkt; een politieke oplossing voor Syrië zonder Assad; steun aan de Syrische oppositie; investeringen in de weerbaarheid van lokale gemeenschappen in Irak en Syrië; druk om te komen tot een responsieve regering in Bagdad die het vertrouwen van soennitische gemeenschappen herwint en stopt met het bombarderen van burgers; voorzorgsmaatregelen die moeten voorkomen dat geleverde wapens misbruikt of in verkeerde handen vallen. Daarover moet het politieke debat in het Tweede Kamer gaan.

Zonder een gemeenschappelijke, lang vol te houden en samenhangende politieke strategie stevenen we af op een nieuw debacle. Wie voor dat risico de ogen sluit is niet alleen naïef maar ook roekeloos.

 

 

‘Paspoorten afnemen is kortzichtig’

ni_201403171423090_m-4“Het jihadisme vormt een substantiële bedreiging voor de nationale veiligheid van Nederland en voor de internationale rechtsorde.” De ministers Opstelten en Asscher zijn daarvan heilig overtuigd. Dat blijkt uit hun brief aan de Tweede Kamer, die komende week debatteert over het actieplan tegen jihadisme. Markant is dat Richard Barrett in de Guardian juist waarschuwt voor het opgeven van fundamentele rechtsprincipes in reactie op een “onbewezen dreiging”.

Dat is markant want Barrett was werkzaam bij de Britse veiligheidsdiensten MI5 en MI6 en was als directeur verantwoordelijk voor wereldwijde terrorismebestrijding. Hij zegt: “Zeker, mensen die naar Syrië gaan vormen een probleem en ze hebben mogelijk de wet overtreden als zij zich hebben aangesloten bij organisaties als de Islamitische Staat en het al-Nusra Front. Maar het vergt een inspanning om dat te bewijzen in plaats van een aanname dat zij dat hebben gedaan.” Barrett stelt verder dat veel meer diepgaand onderzoek nodig is naar de binnenlandse dreiging die uitgaat van ‘jihadgangers’ of ‘ISIS-verheerlijkers’.

Het kan natuurlijk zijn dat de ministers over meer informatie beschikken dan wij als argeloze burgers. En natuurlijk moeten we niet te lichtvaardig, laat staan naïef denken over de risico’s van extremisme in eigen samenleving. Maar het is frappant dat de “substantiële bedreiging” nergens substantieel onderbouwd wordt.

Die onderbouwing ontbreekt ook bij de maatregelen die bepleit of aangekondigd worden. Sinds 2001 hebben opeenvolgende regeringen zich ingespannen om radicalisering tegen te gaan. Kennelijk hebben al deze maatregelen weinig geholpen. Waarom zouden de nieuwe, overwegend repressieve maatregelen nu wel helpen?

De ministers verwijzen in hun actieprogramma ‘Integrale Aanpak Jihadisme’ naar het Duitse de-radicaliseringsprogramma Hayat. Daniel Köhler is betrokken bij dit succesvolle programma. Hij stelt dat “de denkbeelden van jonge Europeanen die overwegen om zich bij de jihad in Syrië of Irak aan te sluiten niet veranderd kunnen worden door dreigingen van politici of wethandhavers maar enkel door hun meest nabije familieleden.” Familieleden vormen de meest nabije sociale gemeenschap. Zij zijn “het perfecte contra-narratief” tegen de radicale Islam. Repressieve maatregelen maken de familieleden juist argwanend tegenover de autoriteiten, zo blijkt uit onderzoek.

“Maatregelen als het afnemen van paspoorten zijn kortzichtig en spelen terroristische groepen in de kaart”, aldus Köhler. “Criminalisering van iedereen die naar Syrië reist bevestigt enkel de radicale ideologie die het westen kritiseert voor zijn discriminatie van alle moslims.” Zou Opstelten zich hiervan bewust zijn?

IS wil met zijn meedogenloze geweld angst aanjagen. Die angst wordt door het verspreiden van afschrikwekkende beelden steeds verder uitgezaaid en door de politiek bevestigd. Zo nestelt de angst zich in onze samenleving en tussen bevolkingsgroepen. Het was Benjamin Barber die in zijn boek Het rijk van de angst waarschuwde voor politiek die de veiligheid wil beschermen maar daarmee juist de angst oproept die het belangrijkste wapen van terroristen is.

Als we niet in het rijk van de angst willen wonen dan zal de integrale aanpak van radicalisering zich vooral en veel meer moeten richten op het versterken van de verbindende krachten. Op het verkleinen van de voedingsbodem en het weerbaar maken van jongeren. Een integrale benadering stelt bovendien eisen aan het buitenlandbeleid. De voortdurende internationale onverschilligheid tegenover Syrië, de grootste humanitaire ramp van onze tijd, geeft niet alleen voeding aan extremisme in het Midden-Oosten maar ook aan radicalisering in Europa.

Het zou onverstandig zijn de risico’s van radicalisering in Nederland te onderschatten. Maar de reacties in de media en van de regering lijken elkaar te willen overtreffen in daadkracht. Overtrokken daadkracht kan de rechtsstaat die het wil beschermen juist ondermijnen en de radicalisering die het wil bestrijden juist aanwakkeren.

Zonder politieke strategie volgen we het script van IS

 imagesStrategie zonder tactiek is de langste weg naar victorie, tactiek zonder strategie is de kortste weg naar verlies. Beschikken we eigenlijk over een politieke strategie tegen het meedogenloze geweld van de Islamitische Staat?

Het politieke debat over de opmars van IS kenmerkt zich door afschuw maar verraadt ook radeloosheid. Die radeloosheid klinkt door in pleidooien om defensiebudgetten te verhogen en IS met militair geweld uit te roeien. Het groeiende geloof in militaire oplossingen van buitenaf is frappant omdat het sektarisme en extremisme groeiden op de puinhopen van eerdere militaire fiasco’s. Een pleidooi voor oorlog past perfect in het script van IS.

Beperkte luchtaanvallen kunnen op korte termijn de opmars van IS indammen. Dat is gerechtvaardigd als daarmee grootschalige mensenrechtenschendingen voorkomen worden. Het kan verstandig zijn omdat een nederlaag van de Koerden rampzalig zou zijn voor de toekomst van burgers in het noorden Irak.

Maar militaire analisten wijzen er op dat IS genoeg manoeuvreerruimte heeft om zich te hergroeperen en op andere fronten te richten. Er lijken drie militaire opties te zijn. 1: De VS beschermen zolang het nodig is de Koerdische regio en minderheden, en daarmee tevens hun eigen belangen in Noord-Irak. 2: De VS bevechten IS in een veel groter gebied en vernietigen hun offensieve capaciteiten. 3: De VS bevechten IS indirect, via de Koerden en/of de regering in Bagdad.

Al deze opties hebben grote risico’s en beperkingen. Optie 1 betekent dat IS blijft bestaan en zijn aanvallen elders, in Syrië, Irak en daarbuiten zal voortzetten. Optie 2 brengt grote risico’s met zich mee. De huidige problemen wijzen op het echec van eerdere militaire interventies. Optie 3 heeft ook beperkingen. De Koerden zullen nooit ver buiten hun autonome regio vechten. Militaire steun voor Bagdad ondergraaft ook de druk op de toekomstige regering om met inclusieve politiek de “hearts and minds” van soennieten te heroveren.

De huidige militaire operaties zijn tactische reacties die het initiatief bij IS laten. Maar wil Obama met militaire interventies in Irak en Syrië het script van IS volgen? Wil hij opnieuw in de tredmolen lopen van historische tekortkomingen en tragische fouten in het Midden Oosten?

Zonder politieke strategie is de militaire indamming van IS gedoemd te mislukken. Nederland zal zich vooral sterk moeten maken voor regionale samenwerking voor collectieve veiligheid in het Midden-Oosten, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij regeringen en burgers in de regio zelf. Voor een politieke en rechtvaardige oplossing voor Syrië. Voor de ondersteuning van een groeiende nieuwe generatie activisten die het sektarisme beu zijn. Voor humanitaire nood en het beschermen van burgers tegen oorlogsgeweld. Nederland kan in uiterste omstandigheden en onder strikte voorwaarden bijdragen aan het met militaire middelen beschermen van burgers tegen grootschalige mensenrechtenschendingen. Maar alleen als dat is ingebed in een politieke strategie.

Komt er dan nooit een einde aan deze zomer vol oorlog?

c Breitbart

c Breitbart

President Obama overwon zijn weerzin tegen nieuwe militaire interventies in het Midden-Oosten. Amerikaanse toestellen bombarderen militaire posities en mobiele artillerie van jihadisten van de Islamitische Staat (IS). De militaire opmars van IS bedreigt Erbil, de hoofdstad van de autonome Koerdische regio in Irak. Duizenden burgers van de Yezidi minderheid vrezen voor hun leven. Zij dreigen het slachtoffer te worden van het meedogenloze sektarische geweld waarvoor ook andere minderheden zoals de Shabak, Shia en christenen op de vlucht zijn.

Wie de smeekbede van een Yezidi’s lid van het Iraakse parlement heeft gezien kan zich moeilijk verzetten tegen het besluit van Obama om de opmars van IS te stuiten. Waar genocide of etnische zuivering dreigt heeft de internationale gemeenschap een verantwoordelijkheid om burgers te beschermen. In uiterste omstandigheden en onder restrictieve voorwaarden kan militair geweld daarbij noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn.

De militaire betrokkenheid van de Verenigde Staten is echter niet zonder risico’s. Op korte termijn kan Amerikaanse tussenkomst uitkomst bieden maar op de lange termijn kan Obama’s besluit ook nadelig uitwerken. De luchtsteun kan gezien worden als steun aan de Iraakse premier Al-Maliki. Zijn desastreuse sektarische politiek tegen de Iraakse soenitische gemeenschap heeft bijgedragen aan de huidige crisis. Bovendien zal IS de Amerikaanse aanval in hun propaganda maximaal uitbuiten, aan nieuwe rekruten en nieuwe sponsoren zal men geen gebrek hebben.

De militaire opmars van IS is met militaire middelen te stuiten. De steun voor IS kan enkel met politieke middelen worden beëindigd. Een politieke strategie tegen IS moet uit tenminste drie essentiële elementen bestaan. In de eerste zal de nieuwe Iraakse regering zich moeten richten op het herwinnen van vertrouwen van de soenitische bevolking. IS kan alleen verslagen worden als zij niet langer kan rekenen op steun vanuit soenitische gemeenschappen in Irak en daarbuiten. In de tweede plaats is het van belang de internationale steun aan IS te beëindigen. IS krijgt financiële steun uit de Golfstaten en verdient aan de verkoop van Iraakse en Syrische olie op de zwarte markt. Dat moet stoppen. In de derde plaats moeten we het sektarische narratief niet versterken door enkel aandacht te hebben voor religieuze minderheden. Het gaat in Irak om de menselijke waardigheid van alle Iraakse burgers ongeacht hun religieuze of sektarische achtergrond.

De Amerikaanse interventie kan de val van Erbil voorkomen en de gevluchte Yezidi’s het leven redden. Maar het langetermijnsucces van de interventie vergt een politieke strategie die even omvattend als complex is. Omvattend omdat de opkomst van IS in Irak nauw verbonden is met de oorlog in Syrië. Dat roept een klemmende vraag op: Wanneer zullen de kosten van niet-inmenging in Syrië de kosten van inmenging overstijgen? Die vraag zal nog klemmender worden als Libanon betrokken raakt bij deze regionale oorlog. Complex omdat een oplossing in Irak en Syrië niet eenvoudig zal zijn zonder betrokkenheid van Turkije, Golfstaten, Iran en Rusland, landen die concurrerende en elkaar uitsluitende belangen hebben.

De zomer van 2014 is een zomer vol oorlogsgeweld. Het einde van de zomer is in zicht maar de oorlog zal voortduren. Burgers in Oekraïne, in Syrië, Irak en Gaza zullen daarvoor de prijs betalen. Wie meent dat deze prijs onacceptabel en onaanvaardbaar is zal zich moeten blijven engageren met het lot van deze burgers, ongeacht hun afkomst en religie. Zij hebben recht op een menswaardig bestaan.

Vrijheid spreek je af

Iraqis-African7Deze dagen staan we stil bij hen die hun leven gaven voor vrijheid. Zij brachten het hoogste offer voor de vrijheid. Zo spreken wij daarover tijdens herdenkingen. Zo’n formulering roept diep respect op. Maar onvermijdelijk ook vragen.

Het hoogste offer brengen voor vrijheid. Een offer brengen betekent iets aanbieden in de verwachting dat er iets voor terugkomt. Brengen mensen het offer van hun leven of wordt het leven hen met geweld ontnomen? En is dat hoogste offer enkel zinvol als er iets, als er vrijheid en vrede voor terugkomt?

Deze dagen moet ik denken aan Jalal Dhiab. Hij was directeur van de Beweging van Vrije Irakezen, een mensenrechtenorganisatie en een partner van IKV Pax Christi. Hij zette zich in voor de rechten van minderheden in Irak. Twee jaar geleden nog kreeg hij daarvoor uit handen van de VN-vertegenwoordiger in Irak een prijs voor mensenrechtenverdedigers.

“Jullie voorbeeld, jullie moed, jullie overtuiging leert ons hoe ook wij mensenrechtenverdedigers kunnen worden” zei de VN-vertegenwoordiger toen tegen Jalal. “Jullie laten ons zien hoe er in ons dagelijkse leven vele manieren zijn waarop ieder van ons in actie kan komen tegen discriminatie in al zijn vormen en daardoor kunnen bijdragen aan het respecteren en beschermen van mensenrechten (…) en daarmee een vreedzame toekomst voor onszelf en voor onze kinderen kunnen veiligstellen.”

Afgelopen vrijdag 28 april verliet Jalal zijn kantoor. In zijn auto werd hij door gewapende mannen doodgeschoten, geliquideerd vanwege zijn inzet voor recht en vrede. “Een schaamteloze en verachtelijke moord” volgens dezelfde VN-vertegenwoordiger. Ook Ministers Timmermans en Ploumen spraken hun afschuw uit over de moord op de voorvechter van mensenrechten en riepen de Irakese autoriteiten op een onderzoek in te stellen.

Jalal Dhiab bracht het hoogste offer voor vrijheid. Maar hij gaf zijn leven niet. Het werd hem met geweld ontnomen. En of zijn offer zal bijdragen aan vrijheid en vrede staat lang niet vast. De moord op Jalal past in de patroon van vele straffeloze moorden in een steeds gewelddadiger Irak. Heeft het kwaad dan toch het laatste woord? Is het genomen offer daarmee zinloos?

Dat kan ik niet geloven. De keuze van Jalal om zich in te zetten voor recht, vrijheid en vrede is zinvol afgezien van de afloop of het resultaat. Zijn dood herinnert ons bovendien aan een waarheid waarvan wij ons niet altijd bewust zijn. Wij hebben altijd een keuze. In tijden van oorlog en terreur hebben wij niet elke keus, maar zelfs onder die omstandigheid kunnen mensen, zoals Jalal ons leert, de menselijke waardigheid redden door compassie en lotsverbondenheid.

Jalal bracht het hoogste offer voor vrijheid. Wij hebben de keuze om zijn offer en dat van vele anderen in oorlogsgebieden betekenis te geven. Door ons te laten raken, door compassie te tonen, door af te spreken dat wij waar mogelijk ook zelf een bijdrage zullen leveren aan vrijheid. Want vrijheid en vrede is ooit afgesproken maar vergt nog steeds onze inzet.