De laatste tuinman van Aleppo

Het leven in Aleppo is een ‘living hell‘. Het regent bommen in de stad. De ravage is onvoorstelbaar, het lijden van mensen ondragelijk, de dood alom aanwezig. En steeds als we denken dat het niet erger kan wordt het nog erger.

Eén van de vele slachtoffers is Abu Ward. Zijn naam betekent ‘vader van de bloemen’. Hij was de laatste tuinman in het door het verzet gecontroleerde centrum van Aleppo. Omringd door oorlogsgeweld bleef hij samen met zijn zoon Ibrahim zijn tuin onderhouden.

Voor Abu Ward waren bloemen de essentie van de wereld. “Wie bloemen ziet geniet van de schoonheid van de door God geschapen wereld. Met hun geur voeden ze je hart en je ziel.” Met eenvoudige woorden leidde Abu Ward bezoekers rond door zijn tuin: “Dit is een hazelnoot. Dit een mispel. Dit een perenboom.”

De tuinman verkocht rozen aan bezoekers van het nabije hospitaal. En rozemarijn aan activisten. Rozemarijn om te planten in de vernietigde rotondes van Aleppo. “Want dat motiveert mensen. Zo zien ze niet alleen vernietiging maar ook schepping”.

Die tuin, dat plukje groen in de door bommen geruïneerde stad, vormde een eiland van menswaardigheid. Een uiting van veerkracht. Een oase van hoop. Het onderhouden van een tuin was een daad van verzet tegen de vernietiging. “Kijk”, zei Abu Ward, “deze boom is geraakt door de scherf van een vatbom. Maar hij leeft nog. God dank! Deze boom zal blijven leven. En wij zullen leven, ondanks alles.”

Kon het verhaal hier maar stoppen. Zodat we zouden weten dat er in Aleppo ondanks de oorlog nog een tuinman is. Dat er midden in het puin nog een tuin is waar rozen bloeien. Dat ergens rozemarijn ruïnes overwoekert. Maar na ruim vijf jaar heeft de oorlog ook de tuin bereikt. Abu Ward is tijdens de intensivering van de bombardementen door het Syrische regime en Rusland door een bom geraakt. Hij was op slag dood.

De tuin is verlaten. Niemand koopt er meer rozen of rozemarijn. De dertienjarige Ibrahim dwaalt verweesd rond. Op het graf van zijn vader liggen geen bloemen. Wat hij nu moet doen? Hij weet het echt niet.

Vaak blijken mensen, ondanks alles, over een onvoorstelbare veerkracht te beschikken. Zij blijven hoop koesteren, al was het maar omdat het verliezen van de hoop geen optie is. Want als de hoop verloren is, is alles verloren.

De Syrische en Russische bombardementen lijken juist uit te zijn op het verstikken van de hoop. Als Assad en Poetin daarin slagen is Aleppo verloren. Dan zal ook elders in Syrië de hoop op vrede vervliegen. Dan zullen nog meer mensen Syrië ontvluchten. Dan zal de stabiliteit in de regio, die al zoveel Syrische vluchtelingen herbergt, verder in gevaar komen. Dan zullen nog veel meer vluchtelingen een weg naar Europa zoeken. Dan zal de geloofwaardigheid van de internationale politiek, van de humanitaire hulp en het internationaal oorlogsrecht nog verder eroderen.

De dood van Abu Ward, het verval van zijn tuin en het radeloze verdriet van zijn zoon vormen een drama op zich. Maar met de dood van de laatste tuinman dreigt Aleppo ook zijn hoop te verliezen. Moeten we dat laten gebeuren?

Een relationeel perspectief op een mondiaal landschap in verwarring

Venice biennale 56 edition artists il muro del pianto labrouge FABIO MAURI

Venice biennale 56 edition artists il muro del pianto labrouge FABIO MAURI

“Honderd jaar nadat de eerste schoten van de Eerste Wereldoorlog werden afgevuurd en 75 jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog is het mondiale landschap wederom in verwarring.” We leven in een tijd van wanorde. En eerlijk gezegd ben ik daardoor zelf soms ook in verwarring.

Lange tijd leek het alsof er na de Tweede Wereldoorlog iets wezenlijks veranderd was. Dat de internationale gemeenschap een les geleerd had.
Dat wij samen een gemeenschappelijke droom hadden. Nooit meer Auschwitz. Nooit meer discriminatie en vervolging van minderheden. Nooit meer raciale politiek en nationalistische superioriteitswaan. En uiteidelijk ook….nooit meer oorlog.

Lange tijd leek het alsof er na de Tweede Wereldoorlog met vallen en opstaan een humanisering van de internationale rechtsorde op gang gekomen was. Dat we getuigen waren van een pijnlijk langzame maar niet te stuiten kanteling in de verhouding tussen machthebbers en burgers. Dat de primaire gerichtheid op de bescherming van de belangen van staten zou plaatsmaken voor een gerichtheid op de bescherming van burgers, aan wie staten hun bestaansrecht danken.

Maar in de verwarrende wereld van vandaag lijkt er geen plaats te zijn voor deze hoopvolle gedachten. Het lijkt wel of alles wat is opgebouwd weer wordt afgebroken. De wereld is op drift. Het mondiale landschap rondom Europa verkeert in een staat van verwarring en wanorde.

Aan de oostflank van Europa zien we een nieuwe militaire escalatie met Rusland onder leiding van Poetin. Een escalatie die herinneringen oproept aan de donkerste dagen van de Koude Oorlog. Aan een tijd van angst en afschrikking, van vijanddenken en wapenwedloop. Aan een tijd waarin ook onze vrede nog zo kwetsbaar was.

Aan de zuidflank van Europa, zien we steeds scherper die veel genoemde ‘gordel van instabiliteit’. Een aaneenschakeling van falende en repressieve staten in Afrika en het Midden Oosten. Een regio waar burgers lijden onder de gevolgen van uitzichtloos oorlogsgeweld, toenemende onderdrukking en chronische armoede. Een regio waar een giftig mengsel van politieke grieven, religieuze identiteiten en criminele hebzucht mensen en gemeenschappen tegen elkaar opzet.

En zoals altijd proberen mensen geweld en wanorde te ontvluchten. Alleen al de oorlog in Syrie heeft geleid tot de grootste humanitaire ramp in onze tijd. Nu de zomer in aantocht is maken zich 200.000 mensen op voor een overtocht naar Europa. Hoeveel van deze vluchtelingen zullen op weg naar veiligheid en vrijheid verdrinken of in de vuurlinie terecht komen van militaire acties tegen mensensmokkelaars?

Maar ook binnen het fort Europa blijkt de vrede lang niet verzekerd. De onrust in Macedonie herinnert ons er aan hoe onverwerkt het verleden is. De aanslagen in Parijs en andere steden herinneren ons er aan hoe kwetsbaar onze open samenleving is. En intussen spelen populisten handig in op onze onzekerheid over de toekomst op een wijze die herinnert aan onze nachtmerries uit het verleden.

Het valt allemaal niet te ontkennen. En er valt niet aan te ontkomen. We leven en werken in een mondiaal landschap dat – wederom – in verwarring is. En dat raakt ons. We raken er zelf van in verwarring. Wat is nu nog het nut van ons vredeswerk?

Maar…. we kunnen ook op een andere manier naar dat mondiale landschap kijken . In onze geraaktheid, in onze verwarring ligt een inzicht besloten. Onze geraaktheid wijst op een relationele betrokkenheid bij mensen die ons in staat stelt op een andere wijze naar de wereld te kijken. Op een wijze die ruimte schept en ons kan bevrijden van een wereldbeeld dat ons machteloos, onverschillig en cynisch kan maken.

Zo’n andere manier van kijken begint met een positiebepaling. Een positie die bepaald wordt door het besef, door het geloof dat elk mens ten diepste verlangt naar waardig en vreedzaam samenleven.

Dat is geen vanzelfsprekende maar een vooringenomen positiebepaling. Veel deskundigen en politici zullen het er niet mee eens zijn. Zij menen dat wij individualistische en calculerende burgers zijn die zich laten leiden door brood en spelen, door zelfzuchtige en economische belangen. Zij stellen dat de wereld enkel bepaald wordt door honger naar macht en rijkdom.

Maar dat wil er bij mij en veel andere mensen niet in. Mensen zijn sociale, relationele en met elkaar verbonden wezens die verlangen naar een menswaardig bestaan. En dat herkennen we bij elkaar. Juist daarom worden we geraakt door hen die lijden onder die wanorde in het mondiale landschap.

Met zo’n positiebepaling, die uitgaat van het verlangen en de verbondenheid van mensen, kunnen we op een andere manier, met een meer relationeel perspectief naar dat mondiale landschap kijken. Ik zeg niet dat je daarmee een volledig zicht hebt op de realiteit. Maar zo’n relationeel perspectief zorgt er wel voor dat we de dingen anders zien en dat we andere dingen zien.

Wat we anders kunnen zien is dat het mondiale landschap niet enkel bepaald wordt door de logica van het geweld, door de macht van staten en de wetmatigheid van de economie. De wanorde in de wereld is geen bewijs van de almacht van autoritaire staten en wetmatigheid van economische markten maar eerder van het tekortschieten daarvan. Steeds weer blijkt dat op beslissende momenten mensen het verschil maken door hun verlangen naar vrede en hun verbondenheid met elkaar en de wereld.

Wat we ook in de wanorde in de wereld kunnen zien is dat veel mensen zich niet langer willen neerleggen bij een onvrij, onveilig en onwaardig bestaan. Mensen willen hun eigen toekomst kunnen bepalen. We moeten de macht van regimes niet overschatten. En we moeten ook de veerkracht en vitaliteit van mensen en gemeenschappen niet onderschatten. Het verlangen van mensen naar een vreedzaam en menswaardig bestaan laat zich misschien wel even, maar niet voor altijd onderdrukken.

En wat we ook anders kunnen zien is dat we onvermijdelijk verbonden zijn met elkaar en met zoveel andere mensen. Wij kunnen ons niet verschansen in eigen huis of eigen groep. We kunnen ons niet terugtrekken achter Nederlandse dijken of in een Europees fort. Door de globalisering zijn we meer dan ooit met duizenden onzichtbare draden verbonden met andere plekken en andere mensen binnen het mondiale landschap. Er is geen muur, er is geen grens bestand tegen deze lotsverbondenheid en de betrokkenheid van mensen op elkaar.

Als we vanuit een menselijk en relationeel perspectief naar het mondiale landschap kijken kunnen we de dingen niet alleen anders zien maar ook andere dingen zien.

Dan zien we hoe Nawras, een jonge journaliste in een verdeeld Irak haar lot verbindt met minderheden en samen met hen strijdt voor een menswaardig bestaan voor iedereen.

Dan zien we Paride Taban die een vredesdorp start midden in het strijdgewoel in Zuid-Soedan en zo laat zien dat wat gemeenschappen met elkaar verbindt sterker is dan wat hen zo lang verdeeld heeft gehouden.

Dan zien we Olena Kaskiv die in Oekraine pro-westerse en pro-Russiche burgers, legerpriesters en politieagenten aan tafel krijgt om te praten over de waarden die zij toch blijken te delen.

Dan zien we Said Bouarrou die in Nijmegen religieuze leiders opriep om samen afstand te nemen van discriminatie en rascisme, van moslimhaat en jodenhaat.

Dan zien we Casper uit Rossum die in zijn eentje honderden handtekeningen teken kernwapens verzamelde en als een van onze ambassadeurs aanwezig zal zijn bij de herdenking van 70 jaar Hiroshima.

Het zijn allemaal bruggenbouwers die in de maalstroom van de geschiedenis durven bij te dragen aan de humanisering van de internationale rechtsorde.

Als we vanuit dat andere, meer relationele perspectief naar dat mondiale landschap kijken, dan beseffen we dat niet alleen de wereldleiders de toekomst bepalen. Ook kleine mensen, zoals wij hier vandaag, dragen bij aan die toekomst van vrede. Die vrede begint bij de goedheid van het eigen hart, omdat alleen dat ons gevoelig maakt voor hen die lijden . Die vrede begint met, en mondt uit in de verbondenheid met andere mensen, dichtbij en verweg.

Door op een andere manier naar het mondiale landschap in verwarring te kijken kunnen we, zoals Erik Borgman dat noemt: Groot denken en klein kijken . We kunnen aan de hand van de kleine verhalen van bruggenbouwers zien waartoe mensen in staat zijn. En we kunnen op nationaal en internationaal niveau laten zien waar de verbinding verbroken is en hoe vrede die verbinding weer tot stand kan brengen. Dat is lang niet eenvoudig. ‘Vrede verbindt’ is een enorme uitdaging, maar er is geen enkel ander alternatief.

Als we zo naar de wereld kijken zien we ook tekenen van hoop. Dan beseffen we hoe belangrijk het is om die kleine verhalen van hoop te verbinden met het grote verhaal over de humanisering van de internationale rechtsorde, met die oude maar nog steeds springlevende droom van vrede.

Wij zijn allemaal onderdeel van dat verhaal, van die droom. Als je actief bent als bruggenbouwer bij een lokale ambassade voor vrede. Als je samen met PAX en de Raad van Kerken meeloopt met de Walk of Peace in Den Haag. Als je werkt voor PAX. Als je je handtekening zet tegen kernwapens – we hebben er nog een paar duizend nodig. Als je bijdraagt aan het vredeswerk door een gift of nalatenschap of met een subsidie zoals we die ook dit jaar weer mochten ontvangen van het V-fonds. Mede dankzij hun generueze steun zijn wij hier vandaag bijeen.

Als we soms in verwarring zijn door de wanorde in het modiale landschap dan is het goed om te beseffen dat we verbonden zijn met mensen die ons verlangen naar vrede delen. Dan is het goed om te beseffen dat het simpele feit dat we samen onderweg zijn een begin van vrede is.

Opening PAX Ambassadeurs voor Vrede dag, Utrecht, 20 mei 2015

Vrede: een kwestie van presentie

Image

Wie zich inzet voor vrede moet durven te hopen. Want hoop is een essentiële bron van warmte die voorkomt dat je bevangen raakt door de kille realiteit van oorlog en geweld. Hoop is dat kwetsbare vlammetje dat je met beide handen moet beschermen. Omdat het zo makkelijk uitdooft zodra het wordt blootgesteld aan de rukwinden van het cynisme waarmee mensen zeggen dat vredeswerk toch niets uithaalt.

Vredeswerk is in de kern een kwestie van presentie. Ik kan mij een ontmoeting herinneren die mij altijd is bijgebleven. In Noord Oeganda bezocht ik een vluchtelingenkamp. Ik mocht er nieuw aangekomen mensen interviewen. En ik trof het want er was net een nieuwe groep mensen uit het bos gearriveerd, op de vlucht voor het oorlogsgeweld in Zuid-Soedan. Een man, een vrouw, enkele kinderen. Hun hele hebben en houwen in een plastic tas. Een door de zon verschoten afwasteiltje als meest kortbare bezit. Gewapend met pen en papier ging ik het gesprek aan. Wie zij waren? Waar zij vandaan kwamen? Waarvoor zij op de vlucht waren? Totdat ik, althans in mijn ogen, bij de hamvraag kwam. Wat kan de vredesbeweging voor jullie doen? Die vraag riep een verbaasde blik op. En het antwoord was anders dan ik had verwacht. “Maar je hebt toch al wat gedaan, jij bent hier.”

Presentie is niet perse het tegendeel van absentie. De tegenpool van presentie kan ook een meer geraffineerde vorm van absentie zijn: interventie. Onze planmatige, efficiënte en probleemgerichte interventie die, hoe goed ook bedoeld, niet aansluit op de leefwereld en de levensloop van mensen. Die zich enkel fixeert op problemen en niet op mensen. Een interventie waaruit de aandachtige betrokkenheid, de zo noodzakelijke menselijkheid is vervluchtigd.

Mensen in oorlogsgebieden zijn, zoals Ghandi het ooit uitdrukte: the least, last, lost and latest. De minsten, zwaksten, verlorenen, de mensen die achter het net vissen. Maar zo mogelijk nog erger dan het geweld van de oorlog is het besef vergeten te zijn, aan je lot overgelaten. Daarom verlangen mensen in oorlogsgebieden zo naar onze presentie.

Niet iedereen kan naar oorlogsgebieden reizen. En het is maar zelden dat mensen uit oorlogsgebieden ons opzoeken. Toch kunnen wij present zijn. Door ons te verplaatsen in de leefwereld en het leven van mensen in oorlogsgebieden. Door onze blik niet af te wenden. Door niet absent te zijn. Door te beseffen dat mensen in oorlogsgebieden niet alleen onze interventies behoeven maar ook onze presentie, onze betrokkenheid als mens.

Vredeswerk is lang niet altijd succesvol. En de resultaten die wij boeken zijn soms kwetsbaar. Maar de presentie die in het vredeswerk tot uitdrukking komt is nooit zinloos, nooit tevergeefs. Onze betrokkenheid bij mensen in oorlogsgebieden houdt hun hoop op vrede levend, geeft hen een onvermoede kracht. En onze verbondenheid met hen, die onmisbare uiting van menselijkheid, houdt ook onze eigen hoop op vrede levend. Als een essentiële bron van warmte, als een kwetsbaar vlammetje in deze soms zo donkere dagen.