De vrijheid van maatschappelijke organisaties opgeofferd

Schermafbeelding 2016-06-17 om 09.00.41

De Tweede Kamer heeft deze week de principiële vrijheid van het maatschappelijk middenveld opgeofferd. De overheid mag geen maatschappelijke organisaties meer financieren die sancties bepleiten vanwege de illegale nederzettingenpolitiek van Israël. Een motie van SGP, Christen Unie en VVD behaalde een meerderheid. Niet in de laatste plaats dankzij de steun van het CDA.

Dat de SGP en de Christen Unie geen enkele kritiek op het nederzettingenbeleid van Israël dulden is natuurlijk al langer bekend. Het ook voor Israël zo desastreuze nederzettingenbeleid lijkt hen niet te deren. Maar bij een ongewijzigde politiek zal het niet lang meer duren dat Israël vanwege de Palestijnse bevolkingsgroei moet kiezen tussen zijn Joodse identiteit of zijn democratische traditie. Dat zou toch ook bij vrienden van Israël zorgen moeten baren?

Ook de steun van de VVD bevreemdt niet echt. Alleen al van de gedachte dat de PVV de VVD op dit dossier rechts zou passeren kan men bij de VVD wakker liggen. Het is natuurlijk wel ironisch dat woordvoerder Ten Broeke juist deze week als pleitbezorger van realpolitik in het nieuws kwam. Ten Broeke waarschuwt voor de opgeheven vinger en de getuigenispolitiek. Voor de “bizarre wensen en verlanglijstjes” die de Tweede Kamer aan de regering pleegt mee te geven. Maar als het om Israël gaat schroomt ook de VVD de getuigenispolitiek niet. Naar de anti-Israël clubs gaat “geen Nederlandse belastinggeld” meer twitterde Ten Broeke enthousiast. Minister Koenders had echter al lang aangegeven dat het kabinet geen Boycot Desinvestering Sanctie-activiteiten tegen Israël financiert. Met een realistische buitenlandpolitiek heeft de motie natuurlijk weinig te maken. Dat zal ook Ten Broeke wel beseffen.

Ronduit zorgelijk is de positie van het CDA. De steun voor de motie is een zoenoffer aan het adres van de gedreven Christenen voor Israël. Op verzoek van deze pro-Israël organisatie werd het CDA de afgelopen dagen met emails bestookt. Wie de mail van Christenen voor Israël leest krijgt even de indruk dat het CDA op het punt stond discriminerende maatregelen tegen de Joodse staat te ondersteunen. Daar was natuurlijk geen sprake van. Het CDA had eerder enkel steun gegeven aan een motie die mogelijk zou kunnen leiden tot opheffing van samenwerkingsovereenkomsten met alle conflictpartijen (Israël èn de Palestijnse Autoriteit) als die afzien van constructieve medewerking aan het vredesproces en ondermijnend beleid uitvoeren. Maar de paniek sloeg toch toe. Om de onrust te bezweren steunde het CDA de muilkorfmotie van SGP, Christen Unie en de VVD, die daarmee een meerderheid kreeg.

De SGP toonde zich blij dat de financiering van “dubieuze clubs” die Israël “boycotten en beschadigen” nu wordt stopgezet. De indiener van de motie wil kennelijk voorkomen dat Israël beschadigd wordt. Maar wat nou als maatschappelijke organisaties zich keren tegen het toekennen van preferentiële tarieven voor producten uit de illegale nederzettingen? Wat als maatschappelijke organisaties zich keren tegen economische relaties met bedrijven in de nederzettingen omdat je niet mag verdienen aan de illegale bezetting? Dat zijn toch sancties en oproepen tot desinvestering? Willen de partijen die de motie ondersteunen het voor maatschappelijke organisaties (financieel) onmogelijk maken zich tegen schendingen van het internationaal recht te keren? Dat zou wat zijn. Al was het maar omdat zij zich daarmee tegen het internationale recht en het staande regeringsbeleid zouden ingaan.

En hoe zit het eigenlijk met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van beweging voor maatschappelijke organisaties? Deze vrijheden zijn verankerd in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Minister Koenders had vooraf aangegeven dat de regering niet kan afzien van de financiering van maatschappelijke organisaties enkel omdat zij zich kritisch inzetten tegen de illegale nederzettingenpolitiek. Daarmee zou hij immers de elementaire vrijheden van maatschappelijke organisaties schenden.

Het mocht allemaal niet baten. De Tweede Kamer offerde zonder enige reserve de principiële vrijheid van maatschappelijke organisaties op. Het wachten is nu op nieuwe vergelijkbare moties. Wat kunnen we nog meer verwachten nu de Tweede Kamer zich op het hellend vlak waagt? Geen geld meer voor maatschappelijke organisaties die de reputatie van bedrijven of het beleid van Erdogan beschadigen? Geen geld meer voor maatschappelijke organisaties die in verkiezingstijd kritiek uiten op politieke partijen?

Gaat de Tweede Kamer niet te slordig om met rechtstatelijke principes? Als de vrijheid van maatschappelijke organisaties niet meer veilig is hoe zit het dan straks met de vrijheid van onderwijs? Of met de vrijheid van godsdienst? Van die vragen zou vooral het CDA wakker moeten liggen.

En Han ten Broeke had nog zo gewaarschuwd. “Voor realisme heb je ruggegraat nodig. Je moet de waan van de dag durven weerstaan.” Tja….

Kan je de politiek uit het leger halen?

cms_retina.full_cover 

In politiek Den Haag voltrekt zich een stille revolutie. Een meerderheid in de Tweede Kamer wil op initiatief van de PvdA de mogelijkheden van een meerjarige defensieovereenkomst verkennen. Dat kan alleen als partijen de politieke waan van de dag overstijgen. Het credo van de stille revolutie is daarom: ‘Haal de politiek uit het leger’. Maar is het depolitiseren van het defensiebeleid wel zo’n goed idee?

Defensie was vaak het kind van de rekening. Opeenvolgende kabinetten hebben op de krijgsmacht bezuinigd. Net als ontwikkelingshulp en buitenlandse zaken heeft defensie weinig supporters. Anders dan bij zorg of onderwijs behoeven politici niet te vrezen voor veel protesten tegen bezuinigingen op de buitenlanddriehoek. De effecten van deze bezuinigingen hebben immers nauwelijks merkbare gevolgen voor het electoraat in Nederland.

Maar die tijd lijkt voorbij. De intimidatiepolitiek van Poetin, het neerschieten van de MH17, het oorlogsgeweld aan de randen van Europa, de dreiging van extremistisch geweld, de komst van vele vluchtelingen: de traditionele scheiding tussen externe en interne veiligheid is niet meer van deze tijd. Het belang van beschermen en voorkomen groeit, en dat maakt dat bezuinigingen op de buitenlanddriehoek niet langer vanzelfsprekend zijn. Daarmee lijkt de tijd rijp voor meerjarige defensieafspraken.

In Zweden en Denemarken is hier al ervaring mee opgedaan. Daar bereiken politieke partijen achter de schermen overeenstemming over meerjarige plannen en budgetten voor de krijgsmacht. Dat komt de voorspelbaarheid van beleid en de stabiliteit van budget ten goede. Voor een krijgsmacht die langjarige investeringen in wapensystemen moet inplannen, is dat van belang.

Toch kleven er ook risico’s aan een meerjarige defensieovereenkomst.

  1. Defensie is kwetsbaar voor de politieke waan van de dag vanwege een wankel draagvlak binnen de Nederlandse samenleving. Het achter de schermen aftikken van een meerjarige defensieovereenkomst vergroot het draagvlak niet. Integendeel. Om te voorkomen dat Tweede Kamerleden de defensieovereenkomst in ‘splendid isolation’ bezegelen, moeten zij ook maatschappelijke organisaties en de samenleving bij dit proces betrekken.
  1. De besluitvorming over defensiebeleid en mega-investeringen in wapensystemen is complex. Het zijn hoofdpijndossiers waarbij het gaat om veel geld. De industriële belangen zijn groot. En ook de krijgsmachtsonderdelen hebben zo hun belangen.In Denemarken bindt de meerjarige overeenkomst de parlementariërs maar wordt deze niet in het parlement besproken en vastgesteld. De parlementariërs vergaderen op het ministerie van Defensie over voorstellen die door ambtenaren zijn voorbereid. De afhankelijkheid is groot. Parlementariërs missen eigen onderzoekscapaciteit en stafkracht. In Zweden is dit overigens niet het geval. Een defensieovereenkomst moet de controlerende macht van de Tweede Kamer niet verkleinen maar juist vergroten. Daarom moeten Kamerleden zelf de pen kunnen vasthouden, zelf onderzoek kunnen doen. En parlementariërs moeten het resultaat publiek verantwoorden in de Tweede Kamer.
  1. Een meerjarige defensieovereenkomst biedt voorspelbaarheid en stabiliteit. Maar de wereld is voorspelbaar noch stabiel. Een defensieovereenkomst legt niet enkel het budget maar ook toekomst, strategie en ambitieniveau van de krijgsmacht vast. Meerjarige afspraken mogen niet ten koste gaan van de politieke wendbaarheid die nodig is om adequaat te reageren op nieuwe bedreigingen. Dat vergt regelmatig politiek debat over de krijgsmacht en de doeltreffendheid en doelmatigheid waarmee deze opereert.
  1. De krijgsmachten in Europa kenmerken zich door gebrek aan efficiëntie. Een betere Europese afstemming en integratie zou miljarden besparen. Eén certificatiesysteem voor munitie zou jaarlijks €500 miljoen schelen. Het delen van infanterievoertuigen €600 miljoen. Een meerjarige defensieovereenkomst kan de belangen van nationale defensie-industrieën dienen. Maar de Tweede Kamer moet een eventuele defensieovereenkomst juist inzetten voor het afdwingen van een grotere Europese defensiesamenwerking.
  1. Nederland profileert zich met een integrale benadering. ‘Diplomacy, defence and development’ kunnen elkaar versterken. Het zou ongeloofwaardig zijn indien de Tweede Kamer wel de stabiliteit en groei van defensie maar niet van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking onderkent. Zou het niet logisch zijn indien de Tweede Kamer ook buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking beschermt voor de politieke waan van de dag.

De verkenning van de mogelijkheden voor een meerjarige defensieovereenkomst is zeker de moeite waard. Maar alleen als betrokken partijen een adequaat antwoord formuleren op de risico’s die aan deze stille revolutie verbonden zijn. Je kan misschien wel de politiek uit de krijgsmacht halen maar niet de krijgsmacht uit de politiek. De krijgsmacht is juist gediend met politiek debat, parlementaire controle en betrokkenheid van de samenleving.

Ook als column gepubliceerd bij One World

Ode aan de onverschilligheid?

254566561_640


‘Kiev staat in brand en het kan mij niets schelen’. Dit is de titel van een column van de filosoof Alain de Botton.  Hij provoceert. Het ‘kan mij niet schelen’ slaat ook op elke andere brandhaard in de wereld. Syrië bloedt, het doet me niks. In Zuid-Soedan huilt een kind, doe mij maar een cappuccino.

De Botton stelt dat het nieuws over gewapende conflicten en menselijk lijden ons wel bereikt maar niet raakt. Zeker, we beseffen best wel dat oorlog en andere rampspoed belangrijk zijn voor de wereld. Maar het kan ons niets schelen. Het raakt ons niet. Sterker nog, voor die onverschilligheid behoeven ons ook niet langer te schamen, zegt De Botton. Want we leven hier en niet daar. Wij zijn hier met andere dingen bezig. Minder belangrijk in het perspectief van de wereldpolitiek maar wel belangrijk voor onszelf. We moeten dus vooral niet te zwaar tillen aan onze onverschilligheid.

Deze ode aan de onverschilligheid van De Botton contrasteert met het appel tot solidariteit. Publieksfilosoof De Botton morrelt met zijn column aan ons morele plichtsbesef. Hij provoceert en relativeert dat plichtbesef.

Wij kunnen er niet omheen dat nabijheid een bepalende factor is voor morele plichten. Hoe komt het anders dat mensen zich verplicht voelen te hulp te schieten als zij zien dat een kind verdrinkt in de vijver voor hun huis en niet als zij mensen bij duizenden zien sterven in Syrië en Soedan? Het is kennelijk onvermijdelijk dat humanitaire rampen ver weg leiden tot een zekere morele distantie.

Maar nabijheid is een rekbaar begrip. De afstand valt weg zodra het noodlot ergens ver weg een bekende treft. En door de media worden wij dagelijks geconfronteerd met de beelden van humanitaire catastrofes overal vandaan. Geen wonder dat wij die beelden ervaren als een appel op onze morele plichtsbesef.

Bovendien verbindt globalisering ons door duizend onzichtbare draden met de meest afgelegen plekken. Plaatsen ver weg waar onder miserabele omstandigheden onze grondstoffen gewonnen en onze kleding geproduceerd worden. Waar machthebbers met ons geld en onze wapens huis houden. En die wetenschap doet heel terecht een appel op onze morele plicht.

Wij moeten altijd het goede doen. Natuurlijk wil dat niet altijd zeggen dat we de hele dag het goede moeten doen. Wij kunnen immers onmogelijk overal op reageren. En hoe pijnlijk dat ook is, er zijn ook tragedies waarop wij geen antwoord hebben. Maar dat legitimeert geen onverschilligheid.

Wij ontkomen er niet aan onze solidariteit te doseren. Wij kunnen ons daarbij richten op die idealen die wij belangrijk vinden: Vrede of fundamentele mensenrechten, of op die problemen waaraan wij zelf, hoe bescheiden ook, een bijdrage kunnen leveren. Door eerlijk te sparen of verantwoord energie te kopen. Door onze stem te laten horen als het er toe doet.

Door ons te verdiepen in hun lot kunnen mensen ver weg ons nabij worden. Dan kunnen wij onszelf herkennen in het gelaat van de ander. Dat vergt durf. Durf omdat we daarmee in moeten gaan tegen gevoelens van machteloosheid, tegen de onverschilligheid en de legitimering daarvan.

Mandela: de legende is dood

620x412xl43-nelson-mandela-130406152916_big.jpg.pagespeed.ic.C4sce12bttDe tijd waarin wij leven heet een tijdperk zonder illusies te zijn. Een tijdperk dat een einde lijkt te maken aan ons geloof in de maakbaarheid van samenlevingen. Aan de houdbaarheid van onze morele principes. Klampen wij ons daarom vast aan de moraliteit van Mandela? Zien wij hem daarom als een baken van hoop? Wordt zijn dood daarom alom betreurd?

Tijdens het Rivonia-proces (1964) dat Mandela tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde eindigde hij zijn verklaring met deze woorden. “Het is een ideaal waarvoor ik heb geleefd; het is een ideaal waarvoor ik nog steeds hoop te leven en waarvan ik hoop dat ik het gerealiseerd zal zien worden. En als het nodig is, is het een ideaal waarvoor ik bereid ben te sterven.”

Zijn gevangenisstraf duurde 27 jaar. Maar hij bleef leven voor zijn ideaal. En dat ideaal – vrijheid en gerechtigheid voor allen – is met de afschaffing van apartheid een stap dichterbij gekomen. Alle wereldleiders zullen Mandela prijzen. Voor zijn leiderschap, zijn politieke moed, zijn moreel gezag. Voor al die leiderschapskwaliteiten waaraan nu zo’n nijpend tekort bestaat.

Mandela. Wie hem heeft ontmoet herkende die bijzondere eigenschap van grote persoonlijkheden. Dat vermogen om iedereen het gevoel te geven, al kun je maar een minuut met hem doorbrengen, dat jij die ene minuut de allerbelangrijkste persoon in hun leven bent.

De Zuid-Afrikaanse schrijver Andre Brink herinnert zich zijn moment met Mandela. Hoe Mandela zijn hand op de pols van Andre Brink legde en zei: “Ik wil dat je een ding weet. Toen ik in de gevangenis zat, heb jij de manier waarop ik de wereld bekeek veranderd.”

Andre Brink schrijft over dat moment: “Ik ben elke keer nog bijna tot tranen geroerd als ik dit vertel, door de reikwijdte van de menselijkheid en het mededogen van die man. Ik had werkelijk het gevoel dat ik in de aanwezigheid van een heilige was. Goddank beschikt hij over te veel menselijke gebreken om ooit als heilige te worden gezien. Ik denk dat dat zijn redding was.”

De reikwijdte van de menselijkheid en het mededogen. Prevel zacht deze woorden. Proef hun betekenis op je lippen. Menselijkheid en mededogen. Is dat het geheim van Mandela? Verklaart dat waarom wij in deze tijd zonder illusies zijn dood zo intens betreuren?

Wat de wereld verdient

imagesMinister Ploumen moet ontwikkelingssamenwerking vernieuwen, verdedigen en verbreden, en dat met 1 miljard minder geld. Dat lijkt een mission impossible. Vandaag  presenteerde zij met de beleidsnota “Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen” op hoofdlijnen haar visie op internationale samenwerking. Verdient die visie onze steun?

De minister staat voor drie formidabele uitdagingen. In de eerste plaats moet zij een relevante en toekomstgerichte agenda voor internationale samenwerking ontwikkelen en daarvoor aanvullende innovatieve financiering door de private sector realiseren. In de tweede plaats moet zij de ontwikkelingsrelevantie van haar budget garanderen tegenover een gretig bedrijfsleven en een armlastige krijgsmacht. In de derde plaats moet zij politieke vooruitgang boeken op gebied van coherentie. De uitdaging is om er voor te zorgen dat andere beleidsterreinen de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking niet ondergraven maar juist versterken. De winst op de coherentieagenda moet de bezuiniging op het ontwikkelingsbudget goedmaken.

Nieuwe agenda: eerste aanzetten

De contouren van de nieuwe agenda voor internationale samenwerking tekenen zich af. Er blijft aandacht voor vrede en veiligheid in fragiele en conflictlanden waar geen enkel ontwikkelingsdoel is gerealiseerd. Er is meer oog voor het feit dat het armoedevraagstuk in middeninkomenlanden een herverdelingsvraagstuk is. De aandacht voor de publieke goederen wordt voortgezet en blijft gefocust op de bekende vier speerpunten: water, voedselzekerheid, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en veiligheid en rechtsorde.

De politieke ambitie van de minister is hoog: “het uitbannen van extreme armoede binnen één generatie”. De intenties zijn nobel: Nederland “blijft solidair met de allerarmsten.” Tegelijkertijd is enig realisme aanwezig: “de invloed van ons land neemt af.”

Ontwikkelingsrelevantie: beter verzekeren

Nederland gaat met ontwikkelingsgeld ondernemers in ontwikkelingslanden en in Nederland ondersteunen. Het Dutch Good Growth Fund moet de risico’s verbonden aan investeringen in en handel met ontwikkelingslanden afdekken. Dat kan ontwikkelingsrelevant zijn indien deze bijdragen aan werkgelegenheid, kennisoverdracht, en productiecapaciteit in ontwikkelingslanden, stelt de minister. Ondernemingen moeten wel voldoen aan eisen op gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Jammer dat het fonds zich niet exclusief of in belangrijke mate richt op fragiele landen. Juist daar zijn banen essentieel voor het doorbreken van de vicieuze cirkel van geweld en armoede, juist daar zijn de risico’s voor investeerders groot. Minister Ploumen laat in het midden of het fonds nu vooral ten goede komt van Nederlandse ondernemingen of van ondernemingen gevestigd en actief in ontwikkelingslanden. Uit internationaal onderzoek blijkt dat private sector steun maar voor 25% terecht komt bij ondernemingen in lage inkomenlanden en voor 50% bij ondernemingen gevestigd in OESO-landen en belastingparadijzen. Waarom verzekert de minister niet dat 50% van het Dutch Good Growth Fund terecht komt bij ondernemingen in ontwikkelingslanden en dat het fonds enkel wordt ingezet voor ontwikkelingsrelevante sectoren en ondernemingen die geen toegang hebben tot de private kapitaalmarkt.

Het Budget Internationale Veiligheid dient ten goede te komen van de veiligheid van burgers in fragiele staten. Dat blijkt uit het feit dat human security en de New Deal for Engagement in Fragile States richtinggevend zijn voor de aanwending van het BIV. De minister wil de ontwikkelingsrelevantie van het BIV steeds toetsen. Het BIV moet o.a. bijdragen aan de bescherming van burgers, waarmee de minister aansluiting zoekt bij het VN programma Protection of Civilians.

De toets op ontwikkelingsrelevantie en de gerichtheid van het BIV op human security moeten er voor zorgen dat de aanwending niet plaatsvindt voor het veiligstellen van Nederlandse veiligheids- en handelsbelangen. Een nadere uitwerking van deze toets op ontwikkelingsrelevantie luistert nauw, ook omdat er op het budget veiligheid en rechtsorde sterk wordt bezuinigd.

De aanwending van het BIV vergt steeds een geïntegreerde benadering. Kenmerk van deze benadering is dat veiligheidsvraagstukken niet enkel met militaire middelen zijn op te lossen maar ook een politieke inzet vergen. Dat zal ook eisen stellen aan de inzet van het BIV.

Het is positief dat er meer aandacht zal zijn voor conflictpreventie. Dat biedt kansen voor nieuwe initiatieven waarbij de veiligheid van burgers in fragiele staten leidend is.

Coherentieagenda: ambitieus maar afhankelijk van politieke wil

De notitie Wat de wereld verdient bevat ook eerste aanzetten voor een ambitieuze coherentieagenda. Coherent beleid op gebied van belastingverdragen, belastingontduiking, landbouwbeleid, klimaat, transparantie, maatschappelijk verantwoord ondernemen is zondermeer politiek relevant.

Opvallend is dat de coherentieagenda geen initiatieven bevat op gebied van defensie en wapenhandel. Kan de minister die via het BIV bijdraagt aan de inzet van de krijgsmacht voor ontwikkelingsdoelen ook eisen stellen aan de inzet en inrichting van de krijgsmacht? Waarom eist de minister niet dat Protection of Civilians wordt verankerd in het Toetsingskader dat wordt gebruikt bij de inzet van Nederlandse militairen? Waarom neemt de minister geen voorhoederol bij het ratificeren en implementeren van het Arms Trade Treaty door Nederland?

De coherentie agenda is ambitieus maar voor het realiseren van de doelstellingen is de minister afhankelijk van haar collega’s in de ministerraad en in Europa. Daarom is het belangrijk dat de coherentieagenda wordt geoperationaliseerd in resultaatverplichtingen. Het parlement dient de voortgang van de coherentieagenda jaarlijks te monitoren op basis van een voortgangsverslag van de minister.

Maatschappelijke organisaties: politieke steun en financiële aderlating 

De minister is positief over maatschappelijke organisaties. Zij waardeert de politieke en dienstverlenende rol die deze organisaties spelen, zowel in lage- en middeninkomenlanden als in Nederland. Zij wil zich bovendien inspannen om de politieke ruimte voor en de vrijheid van maatschappelijke organisaties  te vergroten en hen te vrijwaren van onnodige regeldruk. Een volmondige erkenning van de publieke functie en de principiële vrijheid van maatschappelijke organisaties. Maar hoewel de minister de huidige financiering (t/m 2015) ongemoeid laat, wordt de financiering van deze publieke functies onder invloed van de bezuinigingen na 2015 ondermijnd. De voorziene bezuiniging van 230 miljoen is disproportioneel en komt bovenop eerdere disproportionele bezuinigingen in de afgelopen jaren. Daar stelt de minister weliswaar tegenover dat er ruimte is voor financiering van maatschappelijke organisaties binnen haar speerpunten, maar ze laat in het midden welke bedragen ze daarvoor wil reserveren.

De minister wil solidair zijn met de allerarmsten en geschiedenis schrijven door het vergroten van de coherentie van internationaal beleid. Dat vergt politieke strijd waarbij zij de steun van het maatschappelijk middenveld nodig heeft en verdient. Het bedrijfsleven, dat ondanks bezuinigingen meer geld krijgt, kan wel bijdragen aan economische groei maar niet aan politieke veranderingen. Die zijn noodzakelijk want “de markt is niet perfect”. De minister moet er voor waken dat zij met disproportionele bezuinigingen op maatschappelijke organisaties de zo noodzakelijke “stem van burgers” smoort. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Catshuis: the day after.

Het Catshuisoverleg is geklapt. De economie is in crisis. De gedoogconstructie ligt in duigen. En verkiezingen zijn in aantocht. In dit dramatische decor moet overeenstemming bereikt worden over hervormingen op zowat alle terreinen. Dat geldt natuurlijk ook voor ontwikkelingssamenwerking. Lees verder

Moreel laakbaar en politiek onverdedigbaar

Als we de berichten die uit het Catshuis sijpelen moeten geloven dan houden de onderhandelaars het voor mogelijk nog eens één miljard te bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking. In de reacties op dit bericht vechten verontwaardiging en ongeloof om voorrang. De consequentie dat de zwakste schouders relatief de zwaarste lasten moeten dragen wekt verontwaardiging. De gedachte dat uitgerekend het CDA zou overwegen hiermee in te stemmen wekt ongeloof. Een dergelijke bezuiniging zou naar ons oordeel moreel laakbaar en politiek onverdedigbaar zijn. Lees verder